Richtlijnen

  1. In overleg met de eindredacteur (voor de huisartsen is dit een apotheker; voor de apothekers is dit een huisarts) wordt bepaald welke artikelen worden samengevat. Artikelen die huisartsgeneeskundig of (farmaco)therapeutisch relevante informatie bevatten, worden samengevat.
  2. Commentaren op artikelen op eerder in de FUS verschenen samenvattingen van die artikelen, voorzover van huisartsgeneeskundig of (farmaco)therapeutisch belang, worden samengevat (met name de ingezonden stukken van het NtvG en de commentaren in het PW, voorzover het commentaren van een groep betreft).
  3. De samenvatting dient een gedetailleerde samenvatting van het artikel te zijn, m.a.w. omvat duidelijk meer tekst dan de conclusie. De informatie die nodig is om de belangrijkste conclusie uit het artikel te kunnen onderbouwen moet worden verstrekt. Vooral de hoofdzaken van het artikel dienen duidelijk in de samenvatting naar voren te komen. Als leidraad voor het samenvatten kan ook de eigen behoefte worden gebruikt. Of, welke informatie zou straks nodig kunnen zijn als iemand iets zoekt over het betreffende onderwerp (meestal gedetailleerde informatie). Besprekingen van niet in Nederland geregistreerde geneesmiddelen worden buiten beschouwing gelaten.
  4. Alle informatie m.b.t. doseringen, indicaties, (pseudo)dubbelmedicaties, interacties, contra-indicaties, bijwerkingen en zwangerschap, en nuttige patiënteninformatie wordt vermeld. Bij het noemen van de bijwerkingen wordt een aanduiding van de meest voorkomende bijwerkingen van belang geacht (liefst worden percentages genoemd).
  5. Uiteraard worden beleidszaken (b.v. plaatsbepalingen) besproken. Bij b.v. NHG-standaarden of andere standaarden wordt de betreffende standaard in z’n geheel besproken. Daarbij worden ook risicofactoren, anamnese, (lichamelijk) onderzoek en evaluatie hiervan vermeld. Belangrijk bij het samenvatten van standaarden is dat farmacotherapeutische overwegingen worden meegenomen in de samenvatting, dit ten behoeve van FTO-overleg Ook in het algemeen geldt dat redenen voor de keuze van een middel dienen te worden besproken.
  6. De farmacologie van een geneesmiddel wordt slechts selectief beschreven. Bij een nieuw middel is het soms nodig hier iets over te zeggen of indien een middel vanwege een bepaalde farmacologische eigenschap wordt aangeprezen.
  7. Prijsvergelijkingen worden buiten beschouwing gelaten. Mocht de keuze van een geneesmiddel alleen op grond van de prijs worden bepaald, dan dient dit wel te worden vermeld.
  8. Bij referaten van onderzoeken worden zo mogelijk minstens de volgende zaken vermeld:
    - incidentie/prevalentie
    - aantal patiënten
    - hoeveel controles / cases
    - wat voor soort studie
    - doseringen
    - relatief risico en 95%-betrouwbaarheidsinterval
    - noem statistisch significante zaken
    - resultaten
  9. Echter het is niet noodzakelijk dat, na lezing van een uittreksel van een referaat, de lezer in staat is het onderzoek te herhalen. Dit betekent dat methoden en technieken summier kunnen worden vermeld. Uitvoerige vermelding van de proefopzet is niet gewenst. Inzicht geven in selectiecriteria kan van belang zijn: hoe strenger de patiënten zijn geselecteerd; des te minder zijn de resultaten van toepassing op de ‘doorsnee’ patiënt.
  10. Het is aan te raden niet te veel getallen te gebruiken, daar dit de leesbaarheid van de samenvatting niet ten goede komt. Bij het weergeven van getallen dient men er op te letten dat niet alleen relatieve maar ook absolute getallen worden weergegeven.
  11. Het zo nauwkeurig mogelijk weergeven van de mening van de oorspronkelijke auteurs is essentieel.
« Terug | Printen

Column


maart / april 2018

In Europa leven veel mensen met een voedselallergie, althans dat vinden ze zelf. De prevalentie van een zelf gerapporteerde voedsel allergie bedraagt 20 tot 30%. Wordt echter gekeken naar studies waarbij de provocatie test wordt uitgevoerd dan blijken de percentages veel lager te liggen, met een prevalentie tussen de 0,2 en 3,1%. Het verschil toont aan dat bij mensen met een vermeende voedselallergie eerder gedacht moet worden aan een intolerantie. Abnormale reacties op voedingsmiddelen kunnen immers zowel immunologisch als niet-immunologisch zijn.
Een voedselallergie wordt gedefinieerd als een abnormale reactie van het lichaam ten gevolge van een specifieke immuunrespons die bij herhaling optreedt bij de blootstelling aan een bepaald voedingsmiddel. Deze immuunrespons kan IgE- of niet IgE-gemedieerd zijn. Bij IgE-gemedieerde voedselallergie worden specifieke IgE-antistoffen aangemaakt tegen een bepaald eiwit of antigeen. IgE-gemedieerde reacties treden meestal snel op na inname van een bepaald allergeen, ze doen zich voor bij elke blootstelling en ze zijn potentieel levensbedreigend. Niet-IgE-gemedieerde reacties hebben daarentegen een uitgesteld verloop van het ontstaan van de klachten. Een voorbeeld hiervan is coeliakie.
Daarnaast bestaan er ook niet-immuungemedieerde reacties op voedingsmiddelen. Dit wordt een voedselintolerantie genoemd. Een voedselintolerantie geeft niet noodzakelijk klachten bij elk contact met een bepaald voedingsmiddel en kan beïnvloed worden door de hoeveelheid of vorm van het voedingsmiddel dat wordt ingenomen.

R.J.Buitenhuis
Hoofdredacteur FUS